De joodse gemeenschap in Appingedam behoort tot de oudste van Nederland. In 1563 kreeg Joest Muesken, circa 1499 geboren te Praag, toestemming om zich voor een periode van 6 jaar in de stad te vestigen. Voordien had hij te Linnich en Neuss gewoond.
De mogelijkheid dat deze Joest Muesken verwant is met de uit Emden afkomstige Philip Joosten, de man die fungeerde als eerste 'rabbijn' van de joodse gemeenschap in Amsterdam, is niet geheel en al onwaarschijnlijk en verdient nader onderzoek.
In de eerste decennia van de 17e eeuw woonden er eveneens enkel joodse families in het stadje, die zich voornamelijk bezig hielden met het uitlenen van geld en het slachten van vee. Hun aanwezigheid was de bestuurders van de heersende hervormde kerk een doorn in het oog. Zonder al te veel succes drongen zij er bij de provinciale en plaatselijke overheden op aan om de joden te weren. Wel wisten ze te bewerkstelligen dat in 1669 de synagoge (waarschijnlijk een huissynagoge) werd gesloten.
In de loop van de 18e eeuw nam het aantal joden gestaag toe. Voor het recht van inwoning moesten zij nog evenveel betalen als Joest Muesken in 1563.
In 1710 telde de gemeenschap circa 30 zielen, in 1780 zo'n 100 personen en in 1809 woonden er 130 joden in het stadje. De belangrijkste bronnen van bestaan waren het slachten van en de handel in vee, het uitlenen van geld tegen onderpand en de handel in ongeregelde goederen.
Gedurende de 19e eeuw nam het aantal joodse inwoners verder toe: tot 285 personen in 1899. Daarna nam hun aantal als gevolg van de veranderende sociale en economische omstandigheden af. In 1941 telde de gemeenschap nog 128 personen. In augustus 1942 zijn vrijwel alle joden gedeporteerd. Vijf personen konden onderduiken en van de gedeporteerden is er slechts een teruggekeerd.
In 1985 is er op het pleintje voor de synagoge een monument onthuld met daarop de namen van de omgekomen Damster joden.