Evenals in het nabijgelegen Appingedam vestigden zich in deze kleine aan de westelijke over van de Eems gelegen havenplaats al vroeg enkele joodse families. Ze waren afkomstig uit het aan de oostelijke oever van de Eems gelegen Emden en andere Oostfriese plaatsen.
In 1655 kregen Isac Samuels, zijn vrouw Frouke Heimans en hun familie een vergunning van de plaatselijke autoriteiten om zich in Delfzijl en het nabijgelegen Farmsum te vestigen en er een bank van lening uit te oefenen. Kort na 1655 kregen nog drie echtparen vergunning om zich in het gebied te vestigen. Pogingen van de heersende hervormde kerk om de joden te weren, liepen op niets uit.
Uit het dagboek van Glückel von Hameln, die in 1672 in Delfzijl bij een familielid overnachtte, weten we dat een van de toenmalige Delfzijlster joden verwant was met de bekende Chajim Fürst uit Hamburg.
De joodse bevolking van Delfzijl nam in de loop van de 17e en 18e eeuw toe van zo'n 25 personen in 1665 tot 52 zielen in 1809. De belangrijkste bronnen van bestaan gedurende deze periode waren het slachten van en de handel in vee en vlees, het uitlenen van geld tegen onderpand en de handel in ongeregelde goederen.
In de loop van de 19e eeuw groeide het aantal joden verder tot een aantal van 196 in 1899. Daarna nam als gevolg van de veranderende sociale en econimische omstandigheden het aantal joden gestaag af. In 1941 telde het havenstadje nog 155 joden. In maart 1942 werd de joodse bevolking gedwongen naar Amsterdam te vertrekken en zijn vervolgens vandaar gedeporteerd naar de vernietigingskampen. Slechts een tiental joden wist de oorlog te overleven.
In 1982 is in het gemeentehuis van Delfzijl een monument onthuld ter nagedachtenis aan de joodse inwoners van Delfzijl.