In 1616 begon men met de systematische ontginning van het veengebied ten zuid-oosten van de stad Groningen. Voor de afvoer van turf werd het Winschoterdiep gegraven. Langs dit kanaal ontstonden de dorpen Sappemeer en Hoogezand. De bevolking bestond hoofdzakelijk uit veenarbeiders, schippers, ambachtslieden, kooplieden en boeren.
Eind 17e eeuw vestigden zich de eerste joden in Sappemeer. Hun aantal zou in tegenstelling tot andere dorpen in de ontginningsgebieden slechts langzaam toenemen. De joden die er woonden verdienden hun brood als slager, veehandelaar en koopman. Voor het bijwonen van godsdienstoefeningen en het begraven van doden was men aangewezen op de Joodse Gemeente Veendam.
Eind 18e eeuw was het aantal joden voldoende toegenomen voor het vormen van een Joodse Gemeente. In 1801 stelden zij een reglement op waarnaar de plaatselijke joden zich hadden te gedragen en is er eveneens sprake van bestuurders of parnassim. In 1814 telde de Joodse Gemeente Hoogezand, die bestond uit joden in de dorpen Hoogezand, Sappemeer, Martenshoek, Foxhol, de Kiel, Slochteren en Schildwolde, 102 joden. Hiervan scheidden zich in 1882 de joden in Zuid- en Noordbroek af.
De Joodse Gemeente kende in 1889 met 269 joden z'n grootste omvang. Van hen was het merendeel werkzaam in de veehandel en als koopman. Een opvallend groot gedeelte van de Joodse Gemeente bestond uit armen. Na 1889 liep het aantal joden als gevolg van de veranderende sociale en economische omstandigheden snel terug. In 1930 telde men er nog ongeveer 183 joden. In de herfst van 1942 zijn zij gedeporteerd. Slechts negentien overleefden de oorlog, waarvan vier uit Slochteren.