De dorpen Veendam en Wildervank liggen in het zuid-oosten van de provincie Groningen. Hun ontstaan in 1647 danken ze aan de ontginningen van de uitgestrekte veengebieden. Het gebied werd door een dubbel kanalenstelsel ontsloten, die onderling verbonden waren door dwarskanalen.
Bij een zo'n kanaal, het Beneden Dwarskanaal en een sluis, ontstond Veendam. Wildervank is min of meer een voortzetting van Veendam. De bevolking van beide dorpen ontstond voornamelijk uit veenarbeiders, schippers, ambachtslieden en kooplieden. Op de ontgonnen gebieden vestigden zich boeren.
In dit gebied vestigde zich eind 17e eeuw het eerste joodse gezin. Het aantal joden nam in de eerste decennia van de 18e eeuw langzaam toe. Vooral in de tweede helft van de 18e eeuw groeide het aantal joden in beide plaatsen sterk. In 1783 telde Veendam 130 en Wildervank 44 joden. Hun belangrijkste bronnen van bestaan vormden de handel in vee, vlees en ongeregelde goederen. Verder oefenden veel joden het beroep van slager uit.
In 1813 telde de Joodse Gemeente, die werd gevormd door de dorpen Veendam, Wildervank, Meeden, Muntendam en Stadskanaal 243 joden. In 1850 zouden de joden in Stadskanaal zich afscheiden. Desondanks bereikte de Joodse Gemeente Veendam-Wildervank z'n grootste omvang in 1887 met 600 joden. Ook toen waren de joden voornamelijk werkzaam in de handel en het slagersambachten.
In 1901 telden de dorpen Veendam, Wildervank en Muntendam nog 301 joden. In de maanden september en oktober 1942 is het merendeel van hen gedeporteerd. Na de oorlog werd de Joodse Gemeente Veendam-Wildervank opgeheven en bij de Joodse Gemeente Stadskanaal gevoegd.
In 1951 werd op de joodse begraafplaats een monument onthuld ter nagedachtenis aan de weggevoerde joden. Op de plaats van de oude synagoge kwam in 1967 eveneens een monument ter herinnering aan de joodse gemeenschap van beide dorpen.