Winsum, een agrarisch georiënteerd dorpje, ligt zo'n 15 kilometer te noorden van de stad Groningen. Het vormt samen met het aan de overzijde van het Winsummerdiep gelegen Obergum een tweelingdorp. Voor de omringende dorpen vervulde het dorp Winsum een centrumfunctie.
In de tweede helft van de 18e eeuw vestigden zich hier de eerste joden. Hun belangrijkste middelen van bestaan vormden de handel in vee en vlees en die in ongeregelde goederen. Voor hun religieuze noden waren de Winsummer joden aangewezen op de stad Groningen. Zij begroeven er hun doden, gingen er ter synagoge en maakten gebruik van de diensten van de Groninger rabbijnen.
Samen met een omringende dorpen als Bedum, Baflo en Eenrum en verder weg gelegen dorpen als Zoutkamp, Leens en Ulrum vormde het tweelingdorp de Joodse Gemeente Winsum. In 1915 ondernamen de joden uit Usquert een poging om in plaats van bij Appingedam, ingedeeld te worden bij de Joodse Gemeente Winsum.
In 1808 telden de twee dorpen Winsum en Obergum 11 joden, 1879 was dat toegenomen tot 55 en 1930 telden de dorpen nog maar 17 joden. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog woonden er 14 joden, die 12 november 1942 werden gedeporteerd. Ter herinnering aan hen is in 1993 een aan de oostzijde van de voormalige synagoge een monument aangebracht.