Het dorp Zuidbroek ligt aan het in 1628 gegraven Winschoterdiep ten zuidoosten van de stad Groningen. Het was een agrarisch georiënteerde nederzetting.
De eerste joden vestigden zich rond 1750 in het dorp. Hun belangrijkste middelen van bestaan was het slachten van vee en de verkoop van vlees. In 1783 telden de dorpen Noord- en Zuidbroek 18 joodse inwoners. In datzelfde jaar was er de uit Lissau afkomstige Levi Joseph werkzaam als onderwijzer.
Begin 19e eeuw hoorden de joden in beide dorpen bij de Joodse Gemeente Veendam. Rond 1821 vielen de er wonende joden onder de Joodse Gemeente Hoogezand. Het aantal joodse inwoners bedroeg in 1809 dertien en bereikte in 1899 met 75 joden zijn grootste aantal. Daarna liep ook hier het aantal joden als gevolg van de veranderende sociale en economische omstandigheden sterk terug. In 1941 telden beide dorpen nog 33 joden.
De toename van het aantal joden in de tweede helft van de 19e eeuw deed kennelijk de behoefte ontstaan om een eigen gemeente te vormen. In 1884 was het zover en verkregen de joden in beide dorpen een zelfstandige status als Joodse Gemeente Zuidbroek. Dit duurde tot 1922, waarna de ter plaatse wonende joden opnieuw deel uitmaakten van de Joodse Gemeente Hoogezand.